02-11-08

It’s part of the package.

 

Diabetes

 

 

Hallo daar.

 

Ik was veertien en maakte het mooie weer in het derde middelbaar toen plots mijn leven leek om te slaan.Van het ene op het andere moment kreeg ik de term diabeet op m’n lijf gekleefd. Met zeer sterke lijm. Levenslang.

Al klinkt dat als een straf, en dat is het niet.

 

Maar first things first: Wat volgt is een schets van een periode uit het schooljaar 2002-2003 die zowel de weken voor als het moment van de diagnose zelf omvat. Zoals u wel zal lezen, beleefde ik deze periode in een waas die geen toegang gaf aan al te veel rationaliteit. Alles gebeurde om me heen en ik liet maar betijen. Dit is dus ook niet veel meer dan een verzameling van fragmenten en vage indrukken die nog ergens in mijn hoofd hangen.

 

Of om het met de woorden van Vargas Llosa te zeggen: “Las cosas no son como las vemos, sino como las recordamos.” De dingen zijn niet zoals we ze zien, maar zoals we ze herinneren.

 

 

Diagnose en weken voor die diagnose

 

 

Begin februari 2003. Het steriele dokterswit binnen weerspiegelt de ijzige windt die buiten loeit.

 

Ze tillen me van de onderzoekstafel op de brandcard. Ik heb een vaag vermoeden wat er aan de hand is, maar helemaal zeker ben ik niet. Ze dragen me de trap af die naar de praktijk van de dokter leidt. Er hangt onrust om me heen. Ze schuiven me in de ambulance. Een prik in mijn vinger. Ze praten tegen me. Vanuit een onmetelijke verte dwarrelen woorden naar me toe: “Hi. Da’s dus te hoog hé.”. Een mond beweegt, een hand schudt een blauw toestelletje heen en weer voor m’n gezicht. Mijn ogen draaien weg naar het witte plafond. Whatever.

 

Eigenlijk was het al langer bezig.

 

December 2002. De semesterexamens verzuipen in een ellendige kerstsfeer.

 

Ik zit in de keuken, slurpend aan wat Fristi, en zeg tegen mijn broer: “Volgens mij zijn mijn speekselklieren kapot.” Als je drinkt tijdens het kauwen, worden je speekselklieren overbodig en op den duur functioneren ze niet meer. Althans, met die uitspraak had de leerkracht biologie geprobeerd ons gezonde eetgewoontes aan te leren. Dat was toen ook de enige verklaring die ik had voor het feit dat ik op een bepaald ogenblik -ik weet niet meer wanneer; soms merk je dingen pas op als het eigenlijk al te laat is- als een gek alles ben beginnen drinken wat ik maar in mijn handen kon krijgen. Ik slurp lustig verder en hol dan naar het toilet.

 

Eind januari 2003. Niets boeit me nog, maar ik zet door.

 

Schooldagen zijn een hel, maar ik laat er niets van merken. Tijdens het oplossen van een wiskundevraagstuk valt mijn pen zomaar uit mijn handen. “Niet erg, kan iedereen overkomen”, denk ik snel, om mezelf te sussen, want ik weet verdomd goed dat dit niet normaal is. De LO-leerkracht merkt dat ik vermager, maar gaat er voor nu niet op in. Ondertussen drink ik hoe langer hoe meer. ’s Nachts sta ik drie keer op om naar het toilet te gaan. ’s Morgens is het flesje water van de vorige avond natuurlijk ook leeg. Mijn tong zwelt op en is droog. Als ik cola drink, lijkt ze die als een spons op te zuigen en laat een bruine bovenlaag na die ik nauwelijks weggepoetst krijg. Mama zegt dat ik minder moet drinken, dat ik dan minder naar het toilet moet gaan. Wisten wij veel dat het eigenlijk andersom is.

 

Ik fiets naar school, maar het tempo van de schoolvriendin volgen lukt niet. Ook zij, normaal niet zo’n tempomaker, heeft wat in de mot. Op een ochtend, op de speelplaats, voel ik plots alles rondom mij weggezogen worden. Ik wankel, mijn boekentas trekt mij in de richting van de grond, maar gelukkig kunnen mijn vrienden me tegenhouden. Ziekenboeg dan maar? Whatever. Een lesuurtje lang op een muf donsdeken liggen. Ik wil hier niet zijn. Opzichters komen kijken hoe het zit. Ik voel me beroerd. “Rust maar even, dan gaat het zo weer over.” Ik wil naar huis.

 

Februari 2003. Vrijdag voor de diagnose.

 

De schoolvriendin volgen op de fiets is een onmogelijke taak geworden. Ik hang tientallen meters achter en vraag me af wat ik in godsnaam aan het doen ben. Ik concentreer me op het rode achterlicht, de omgeving zinkt weg tot het gereduceerd wordt tot niets.

 

Februari 2003. Weekend voor de diagnose.

 

Ik drink. Ik plas. Ik beweeg me door het huis, steunend op alles wat mogelijk is. Muur, stoel, kast, muur, tafel. Eindelijk de zetel.

 

Februari 2003. Maandag voor de diagnose.

 

Zo kan het niet langer. Ik moet thuisblijven van school. Niet dat ik nog enig besef heb van wat er rondom mij gebeurt; mijn hersenen voelen als een pot siroop waar geen gedachte zich helder en rechtlijnig door kan bewegen. Mijn ouders nemen me naar de dokter en ondersteunen me terwijl ik me probeer te herinneren wat ik aanmoet met de trap die naar de praktijk leidt. Morgen terugkomen, nu niet nuchter om bloed te prikken. Achteraf beschouwd, gonsde het toen al van vermoedens. Alleen niet in mijn hoofd. Mijn denken liet ik over aan anderen.

 

Februari 2003. Dinsdag van de diagnose.

 

Het scenario van de vorige dag herhaalt zich. Tergend traag sukkel ik de trap op, met aan elke bovenarm een ouderlijke hand. Binnen word ik verzocht in een potje te plassen. Geen probleem, ik had er tien vol geplast hadden ze het mij gevraagd. Ik zwalp de praktijk weer binnen, met het potje in mijn handen. De desoriëntatie is compleet. Mijn benen zijn loom en ik kan me nauwelijks rechthouden. Ik mag me op de onderzoekstafel leggen. Nuja, ik weet niet meer of het mocht, of dat ze het me verplicht hebben, of dat ik er geheel uit eigen beweging op ben gaan liggen. Die hersenen als siroop, weet u wel. Blijkbaar wordt er getelefoneerd. Kiezen mijn ouders een ziekenhuis na voorstellen van de arts. Twee mannen (of waren het er meer?) komen de kamer binnen met een brancard.

 

Alles rond mij is een blur.

 

 

Ziekenhuisopname

 

 

Zo kwam ik dus terecht in het ziekenhuis. Het zou later nog vaak een fijn weerzien worden met het UZ Leuven.

 

De eerste twee dagen wordt mijn hele lichaamshuishouden weer op orde gebracht. Ik lig op de afdeling intensieve zorgen, met alleen gordijntjes als scheiding tussen mezelf en het volgende bed. Er hangen draden aan mijn arm. Later zou blijken dat ik onder andere aan een insulinepomp hing. De dokter komt ook al eens kijken. Wat uitleggen. En of ik nog vragen heb. “Hoe laat is het?” Ik voel me nog beduusd en ze hebben mijn horloge uitgedaan. Tja. Maar dat ik diabetes heb, besef ik ondertussen goed genoeg.

 

Tijdens de dode momenten lopen mensen heen en weer, praten soms met me.

- “Hebt ge goed geslapen?”

° “Viel wel mee…”

- “Ge hebt anders wel niet veel geslapen hé.”

Hoe zou je zelf zijn als er naast je iemand constant ligt te hoesten en karretjes met medisch materiaal rammelend af en aan rijden. Gelukkig zijn er nog tijdschriften en strips, zelfs in het midden van de nacht.

 

Na die twee dagen verhuizen ze me naar de kinderafdeling. Hoera, nu kan alles weer min of meer normaal verlopen. De diabetesverpleegkundige komt me uitleg geven over diabetes. Want ik heb er dan misschien al vaag van gehoord, ik weet niet wat het juist inhoudt. Geen suiker en voetamputaties, dat was mijn idee. Fout blijkt nu. En gelukkig maar. Ook de diëtiste kwam langs: informatie geven over voeding, welke producten zijn geschikt voor mij, een dieet opstellen. De psychologe tracht me te doorgronden aan de hand van voorgekauwde vragenlijsten. Voor mij persoonlijk ontgaat het nut daarvan me nog steeds.

 

In totaal zouden ze me zo’n tien dagen daar houden. Tien dagen die -zo lijkt nu- toch voorbijgevlogen zijn. Tien dagen waarop ik heel veel heb geleerd over mezelf en voor mezelf. Tien dagen waarin ik gemerkt heb dat vriendschappen hechter zijn dan je zelf zou denken, ook al ben je maar veertien. Tien dagen waarop alles veranderde, en toch ook weer niet.

 

 

Dagdagelijkse omgang

 

(Ook hier even opmerken dat ik alles word waargenomen vanuit een standpunt waar diabetes al bijna zes jaar een deel van uitmaakt, een standpunt dat door de jaren heen zijn eigen karaktertrekken heeft gekregen.)

 

 

“Ik heb ermee leren leven, maar aanvaarden zal ik het nooit!”

 

De mens die als eerste deze zin over zijn lippen kreeg, mogen ze voor mijn part bekleden met pek en veren, vierendelen, ophangen en vervolgens op de brandstapel gooien. Van zo’n attitude word ik echt misselijk. Waarom in godsnaam jezelf afzetten tegen iets dat nooit of te nimmer weggaat? Waarom van iets je aartsvijand maken als je er eeuwig aan vast hangt? Waarom je lichaam niet aanvaarden zoals het is? Wanneer ik mensen ontmoet die van deze zin hun leuze hebben gemaakt, krijg ik meteen zin om gewelddadig gedrag te vertonen. (Ik houd mij in, natuurlijk wel.) Maar ik begrijp gewoon niet hoe je jezelf zoiets kan voorhouden. Als je jezelf wilt voorstellen als een tragische held die dapper zijn lot draagt, laat me dan duidelijk zijn: dat ben je -in mijn ogen- niét. Verzet tekenen tegen je lichaam baadt niemand, integendeel zelfs.

 

Ook heb ik mij nooit de vraag gesteld: “Waarom ik?” Ik was al lang blij dat ik eindelijk wist wat er aan de hand was, dat er een behandeling voor bestond en dat ik er niet aan dood ging. Mezelf in zelfmedelijden wentelen was geen optie. Akkoord, er zijn leukere dingen in het leven dan de diagnose van diabetes voorgeschoteld te krijgen maar in een hoekje zitten kniezen helpt niemand vooruit. Om de een of andere reden kon ik de knop in mijn hoofd snel omdraaien en onbevreesd de rest van mijn leven aanvatten. Uiteindelijk komt alles altijd wel goed.

 

Diabetes is dus -in tegenstelling tot wat velen denken- vooral een mentale kwestie. Je attitude tegenover je disfunctionerende pancreas bepaalt al voor een groot deel hoe de behandeling verloopt. Toch bedenk ik me soms dat ik geluk heb gehad dat mijn diabetes op veertienjarige leeftijd is vastgesteld (en dus niet: “Oh, veertien, puberen, dat zal wel moeilijk geweest zijn.”). Ik was mijn weg aan het zoeken in het leven en ergens onderweg hupte er een ongenode gast in mijn rugzak. Geen erg, met wat hulpmiddeltjes die ik toegegooid heb gekregen houd ik hem wel onder bedwang. Ik groeide in het leven en tegelijkertijd groeide ik in mijn diabeet-zijn. En zo zijn mijn diabetes en ik met elkaar verstrengeld. It’s part of the package. Diabetes is mijn vijand niet: we zijn bondgenoten. Op een vreemde manier wel, dat geef ik toe, maar het werkt.

 

En toch! De vraag die me soms wel bezighoudt echter is: In hoeverre heeft mijn diabetes een impact gehad op mijn ontwikkeling? Ik kreeg diabetes (dat klinkt alsof het een cadeautje was met Sinterklaas) dus toen ik veertien was; in hoeverre ben ik mezelf en in hoeverre ben ik mezelf met diabetes? Of misschien eenvoudiger gesteld: zijn er dingen in mijn persoonlijkheid die niet beïnvloedt zijn door het krijgen van diabetes? Iets anders dat me soms ook wel uit mijn lood durft slaan is de gedachte dat ik in zekere zin een zelfvernietigend lichaam heb. Ik herinner me nog de eerste keer dat die overpeinzing niet zo heel lang na de diagnose door mijn hoofd schoot en dat ik toch wel een tijd verwonderd voor me uit ben blijven staren. Toch beheersen die gedachten mijn leven niet. Ze zijn natuurlijk frequenter gedurende periodes waarin ik intensief met mijn diabetes bezig ben, maar die worden afgewisseld met periodes waarin ik het allemaal als heel normaal behandel of het al eens durf laten hangen (nee, ik ben geen modelpatiënt, ook ik ben niet onfeilbaar).

 

Ik tracht mijn diabetes op een positieve manier te benaderen: een klein defect, niets dat niet verholpen kan worden. Diabetes is voor mij absoluut geen groot eng kwijlend monster dat zich vanachter in de tuin verstopt en telkens als ik voorbijkom in mijn kuiten bijt. En dat straalt af op mijn omgeving: niemand maakt een probleem omtrent mijn diabetes en mensen durven vrijuit vragen stellen. In den beginne was het natuurlijk voor iedereen even wennen. Vrienden wisten niet wat ze moesten verwachten en familie vroeg ongerust naar nieuwtjes. Nooit vergeet ik de huilende oma’s toen ik er voor het eerst na de diagnose weer over de vloer kwam, of de verontrustte blik in de ogen van de opa’s: “Had ik het maar gekregen, dat zou veel beter geweest zijn.” Terwijl ik in zijn schouder kneep kon ik alleen maar denken: “Niet zeggen opa, ik ben sterk genoeg hiervoor.” En dat zou ik de wereld verdomme eens tonen ook.

 

En gaandeweg heeft iedereen gemerkt dat diabetes geen dominant kenmerk van me is geworden. Dat het mijn leven niet beheerst. Ik kan natuurlijk niet wegsteken dat ik moet spuiten, maar dat hoeft ook helemaal niet. Niemand ontkent mijn diabetes en niemand doet moeilijk als ik even niet kan volgen omdat mijn suikerwaarde te laag is. Iedereen heeft aanvaard dat diabetes er is en niemand behandelt me als een zieke. Ik voel me daar goed bij en al de rest in mijn omgeving ook. Ik controleer mijn diabetes en niet andersom.

 

Altijd aanwezig, maar altijd onzichtbaar. En zo is het goed.



 

 

23:54 Gepost door Babs flamand | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jongeren met diabetes |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.